Hoe train je de passage door middel van overgangen binnen de draf

A
Annemiek van Dijk
Ruiter & Paardenverzorgingsspecialist
Training, Dressuur & Rijlessen · 2026-02-15 · 10 min leestijd

De passage. Het is die droomachtige, zwevende draf waar elke dressuurruiter van droomt. Alsof je paard even de zwaartekracht trotseert.

Het voelt alsof je op een wolk rijdt. Maar om daar te komen, moet je eerst de basis supersterk maken.

De weg naar de passage begint niet met eindeloze herhalingen, maar met slimme, korte overgangen. Hiermee bouw je de kracht en de balans die je paard nodig heeft. Dit is jouw handleiding om stap voor stap te werken naar die perfecte, opwaartse beweging.

Wat heb je nodig voordat je begint?

Voordat je überhaupt aan de passage denkt, moet je paard lichamelijk en mentaal klaar zijn. Dit is geen trucje; het is topsport.

Zorg dat je paard de basis op orde heeft: een stabiele, regelmatige draf met een goede aanleuning. Je paard moet soepel over de rug bewegen en niet te zwaar op de voorhand zijn. Vertrouwen is key. Je paard moet weten dat jij een veilige en duidelijke leiding geeft.

Je materiaal hoeft niet duur te zijn, maar wel goed. Een goed passend hoofdstel is essentieel.

Denk aan een bit dat je paard prettig vindt, zoals een simpel stang-en-tekentouw of een zacht mondstuk van anatomische merken. Zorg dat je zadel goed ligt; een drukpunt kan de hele training verpesten. Een goede zadelmaker kan dit voor je controleren.

Draag comfortabele kleding die je bewegingen niet beperkt, en schoenen met een veilige hak. De omgeving is minstens zo belangrijk.

Begin in een veilige, bekende binnen- of buitenbak waar je niet wordt afgeleid.

De bodem moet goed zijn: niet te hard, niet te zacht. Je paard moet zich veilig voelen. Zorg dat je genoeg tijd hebt; reken minimaal 45 minuten, inclusief op- en afzadelen en een goede warming-up en cooling-down. Druk haast de basis van elk goed leerproces.

Stap 1: De warming-up en het basisritme

Je begint nooit koud. Laat je paard eerst 15 minuten actief stappen en draven om de spieren op te warmen.

Zoek meteen het juiste ritme. Je doel is een regelmatige, actieve draf.

Niet te snel, niet te langzaam. Zoek een tempo waarin je paard ontspannen kan bewegen en de rug loslaat. Dit ritme is je anker; je zult er steeds naar terugkeren.

Voel je paard goed aan. Is de teugelcontact licht en aanwezig?

Of hangt je paard aan je handen? Als je paard trekt, moet je dat eerst oplossen. Probeer af en toe een klein, kort stukje te stappen om de mond te ontspannen. De passage draait om activiteit en lichtheid.

Als je paard zwaar op de hand is, bouw je geen opwaartse kracht op.

Gebruik eventueel een neusriem die niet te strak zit, zoals een anatomische van het merk PS of Equiline, om comfort te bieden. Wissel het ritme af met kleine veranderingen. Ga van een actieve draf naar een lossere draf en weer terug.

Dit is de eerste stap in het trainen van overgangen. Je paard leert zo om naar jouw hulpen te luisteren zonder dat je hard hoeft te werken.

Houd de sessies kort en leuk. Na 10 minuten goed opwarmen ben je klaar voor de volgende stap.

Stap 2: De korte, scherpe overgang (draf-stap-draf)

Hier begint het echte werk. Je paard moet leren om snel en energiek te reageren op je beenhulp.

Je doel is om vanuit een actieve draf direct in een nette, actieve stap te vallen. Geen getreuzel. Geen passen uittellen.

Gewoon: BEEN hulp, en meteen stappen. Hoe scherper de overgang, hoe meer activiteit je paard in de draf krijgt vlak voordat hij stapt. Dat is de sleutel.

Hoe doe je dat concreet? Draf in een actief ritme.

Klaar voor de actie. Je beenhulp is je 'gaspedaal'. Geef een korte, duidelijke hulp met je kuiten. Tegelijkertijd neem je je zit en hand lichtjes terug.

Niet trekken, maar ‘vragen’ om te stoppen. Het moment dat je paard stapt, moet je hulpen meteen weer loslaten.

Beloon hem met een aai of een vriendelijk woordje. Nu direct weer actief door met je benen terug naar draf. De overgang terug naar draf moet minstens zo scherp zijn: BEEN hulp en direct weer door.

Veelgemaakte fouten bij deze stap

Herhaal dit in een ritme. Draf-stap-draf. Draf-stap-draf. Doe dit in korte reeksen van 5 tot 6 keer.

Blijf in een rechte lijn of een grote boog. Blijf constant. Het doel is niet om te blijven stappen, maar om de scherpte te trainen. Je paard leert dat jouw beenhulp betekent: 'ga nu vooruit!'.

Deze overgangen zijn de basis voor alles wat volgt. Ze trainen de achterhand om onder het lichaam te komen en de spieren op te bouwen die nodig zijn voor de opwaartse kracht. Zonder deze scherpte kom je er niet.

Stap 3: De langzame overgang (draf-draf met meer opwaartse kracht)

Nu je paard scherp reageert op de overgang naar stap, ga je werken aan de kwaliteit van de draf zelf. Dit is het ideale moment om de schwung in de draf te verbeteren door deze langzamer te maken, maar wel met meer 'opwaartse' kracht.

Dit is de basis van de passage. Je wilt dat je paard de voorhand lichter maakt en meer kracht vanuit de achterhand gebruikt.

De korte overgangen van hierboven helpen hier enorm bij. Rijd een actieve draf en ontdek hoe je de kadans verbetert met tempowisselingen. Voel de kracht. Nu ga je proberen om het tempo te verlagen, maar de energie te behouden of zelfs te vergroten.

Dit voelt alsof je de teugel iets langer laat, maar met je been blijft vragen om activiteit. Je paard moet als het ware 'in de draf blijven hangen'.

Je wilt een draf die langer en lichter aanvoelt. De pas wordt groter en zwevender. Doe dit in stapjes. Rijd 5 passen normale draf, en dan 5 passen 'langzame' draf.

De langzame draf is niet slomer, maar meer opwaarts. Je paard moet de rug optillen.

Timing en duur

Je voelt een lichtere voorhand. Als je paard te ver naar voren valt, ben je te ver doorgeschoten. Dit is essentieel bij de overgang naar de Lichte Tour. Maak dan even een scherpe overgang naar stap om de balans te herstellen.

Dit is een continue proces van bijsturen. Per reeks rijd je ongeveer 20 minuten aan dit soort oefeningen.

Doe dit nooit langer dan 10 minuten aaneengesloten. Wissel af met andere dingen, zoals een stukje stappen of een andere oefening. Je paard mag niet gefrustreerd raken.

De totale trainingstijd voor de specifieke passage-oefeningen mag niet meer zijn dan 25% van je totale training. De afstand is belangrijk.

Rijd in een rechte lijn of een grote boog (halve cirkel van 20 meter).

Een kleine boog is te moeilijk omdat je paard dan ook nog moet sturen. Focus eerst op de kwaliteit van de beweging, niet op de bochten. Als je paard makkelijker gaat, mag je de bochten smaller maken, maar begin groots.

Stap 4: Combineren: de 'opbouw' naar passage

Je combineert nu de scherpe overgang (stap 2) met de opwaartse draf (stap 3). Dit is het moment dat je de passage echt gaat 'voelen'.

Je begint met een scherpe overgang van draf naar stap. Dit activeert de achterhand. Meteen daarna vraag je om een opwaartse, lichte draf.

Je paard is nu 'in de kracht' gezet en zal proberen de voorhand lichter te maken.

Je bouwt het langzaam op. Eerst een scherpe stap, dan een lichte draf. Herhaal dat. Dan probeer je de stap te verlengen tot een 'piaffe-achtige' beweging.

Dit is nog geen echte piaffe, maar een soort van 'op en neer' beweging in het kleine staptempo. De benen gaan hoger omhoog.

Dit is het moment dat je paard de kracht vindt om de passage te doen.

Je zit erop en ondersteunt hem met je beenhulp. Probeer de scherpe overgang steeds korter te maken. Je wilt dat je paard bijna stopt in de stap, en meteen weer 'losbarst' in de opwaartse draf. Dit gevoel van 'ophouden en weer vertrekken' is de motor van de passage.

Het is alsof je paard een sprintje trekt terwijl hij op de plaats blijft. Doe dit in reeksen van 3 tot 5 keer, met veel rust ertussen.

Laat je paard bijkomen en beloon hem. Je zit is cruciaal. Je zit moet actief zijn, maar niet bewegen.

Gebruik de juiste hulpen

Zit stil en steun met je zitbeenknobbels. Je beenhulp is je gaspedaal.

Geef een lichte klop of druk met je kuit. Je hand houdt de verbinding, maar trekt niet. Je hand stuurt en geeft de ruimte voor de hals.

Als je paard te veel op de hand drukt, moet je de scherpe overgang naar stap weer herhalen om de balans te herstellen.

Voel je paard. Is hij moe? Dan stop je. Is hij scherp en actief? Dan ga je door.

Het is een samenspel. Je paard geeft aan wat hij kan, en jij past je training daarop aan.

Een te snelle training leidt tot blessures en frustratie. Neem de tijd.

De passage is de kers op de taart, maar je moet de taart eerst bakken.

Veiligheid en veelgemaakte fouten

Veiligheid gaat boven alles. Zorg dat je paard gezond is.

Regelmatig controleren door een veearts of fysiotherapeut is geen overbodige luxe. Zeker bij intensieve trainingen.

De passage belast de achterhand en de rug. Een goede conditie is essentieel. Zorg voor voldoende beweging buiten de training om, bijvoorbeeld longeren of longeren met een chambon (een hulp die de nek ontlast).

Dit helpt de spieren soepel te houden. Een veelgemaakte fout is te veel willen te snel.

De passage is een oefening voor een goed getraind paard. Forceer niets. Als je paard moeite heeft, ga dan terug naar stap 2. De scherpe overgangen zijn je reddingsboei. Zijn die niet scherp?

Dan is je paard nog niet sterk genoeg of begrijpt de hulp nog niet. Blijf daar oefenen.

Een andere fout is dat de ruiter te veel gaat 'zitten duwen' of bewegen. Blijf stil zitten! Jouw lichaam moet een stabiele basis zijn. Als jij gaat slingeren, verliest je paard zijn evenwicht.

Oefen eventueel zonder zadel om je zit te verbeteren. Voel de beweging van je paard en beweeg mee, maar forceer niets.

De kracht komt van je paard, niet van jouw bewegingen. Vergeet de ontspanning niet. Na een intensieve training is het belangrijk om je paard goed af te laten werken.

Laat hem stappen en een stukje draven in een lossere aanleuning. Geef hem de tijd om te ontspannen.

Een massage of een schrobben met een borstel helpt de spieren te ontspannen.

Zorg dat je paard tevreden is.

Verificatie-checklist: Is je paard klaar voor de passage?

Gebruik deze checklist om je voortgang te meten. Ben je alle punten een keer goed doorgekomen? Dan ben je op de goede weg.

Als je deze punten beheerst, ben je er bijna. De passage is nu nog een oefening, maar het gevoel is er.

Blijf oefenen, blijf belonen, en geniet van het proces. Je paard werkt keihard voor je.

Een goed paard verdient een goede ruiter. En een goede ruiter weet dat de weg ernaartoe minstens zo belangrijk is als het doel.

Volgende stap
Bekijk alle artikelen over Training, Dressuur & Rijlessen
Ga naar overzicht →
A
Over Annemiek van Dijk

Annemiek is professioneel ruiter en paardenverzorgingsspecialist met 18 jaar ervaring. Ze heeft op meerdere maneges gewerkt en adviseert over voeding, training, uitrusting en stalling.

Op de hoogte blijven?
Ontvang praktische tips en reviews. Geen spam.
Geen spam. Je gegevens worden niet gedeeld.